Kijkluistertraining 4V
Bij kijkluisteren moet je in staat zijn om adhv de informatie die je uit gesproken taal kunt filteren vragen te beantwoorden. Daarvoor is het vooral handig als je a) de algemene aard van de vragen begrijpt b) de specifieke inhoud van de vragen begrijpt en c) de meest voorkomende woorden/zinsneden/chunks kunt identificeren die bij deze vragen horen. Een voorbeeld:
Vraag:
Wat zegt Patricia over vrije tijd?
Lees je deze vraag dan weet je alvast dat je in het fragment
a) alleen maar op de gesproken tekst van Patricia moet letten;
b) op moet letten zodra het woord “vrije tijd” valt;
c) het antwoord iets met Patricias oordeel over “F…zeit” te maken moet hebben (…verzamel even 4 passende bijwoorden: ….)
Als je dan naar de antwoorden kijkt leveren deze ook nog een paar hints:
Antwoorden:
a Met meer vrije tijd zou ze niet zo veel kunnen beginnen.
b Met meer vrije tijd zou het programma makkelijker vol te houden zijn.
c Haar vrije tijd gebruikt ze optimaal voor haar studie.
a) “Zou ze niet zo veel kunnen” ken je als zou-vorm van een Modalverb, namelijk “könnte”, beginnen is “anfangen” – hier staat dus “Mit mehr Freizeit könnte sie nichts anfangen”
b) makkelijker vol te houden – einfacher auszuhalten / besser zu machen – dit is het tegenovergestelde van a)
c) Surprise! Deze optie ziet tussen a) en b) in: Patricia “nutzt ihre Freizeit optimal für ihr Studium / die Schule”
Samenvatting:
De vraag levert al een paar hints: Wie zegt wat waarover? Patricia zegt iets kwalitatiefs (de aard, haar beleving van) over “Freizeit”, je zoekt dus naar een waardeoordeel over Freizeit.
De antwoorden hebben vaak een bepaalde structuur: Ja – Nee – misschien; geel – blauw – groen;
Let op de woorden uit het antwoord, hier: zou-vormen, komparatief (makkelijker), optimaal
Beispiel 2
10 Welke uitspraak is juist?
a Miriam en Janine vinden dat hun ouders voor alle kosten moeten opdraaien.
b Miriam en Janine geven meer uit dan ze zouden doen als ze zelfstandig zouden wonen.
c Miriam en Janine balen ervan dat ze niet veel geld mogen uitgeven.
Opdrachten:
Bij a) geven M&J een mening. Bedenk minimaal 4 manieren om in het Duits een mening over iets te geven….
1.
2.
3.
4.
Bij b) stellen M&J een vergelijking aan tussen twee toestanden. Waar moet je dan op letten? En op welke woorden?
1.
2.
Bij c) balen M&J. Bedenk 4 signaalwoorden (NL) waaruit blijkt dat iemand baalt en vertaal ze naar het Duits.
1.
2.
3.
4.