Toetsvoorbereiding 2e klassen – Toets K5/K6

Als kleine voorbereiding op de toets van woensdag, 21 april heb ik hier een samenvatting van de grammatica-onderdelen uit de hoofdstukken 5 en 6. Je wilt dit absoluuuuut wel maken:

Werkwoord werden

Vul de juiste vorm van het werkwoord werden in:

Ich _____________ getragen.

Ihr _____________ am Mittwoch einen Test schreiben.

Ich _____________ langsam müde.

Du _____________ mit iPod auf den Ohren nichts lernen.

Wir ____________ fünf Minuten früher aufhören.

Sie __________ Kapitel 5 und 6 lernen.

Wir __________ Kapitel 5 und 6 lernen.

Er _________ gute Noten geben.

Tijdsbepaling

Ich gehe jed____ Freitag schwimmen.

Er _____ (gehen) dies___ Sonntag in die Kirche.

Wir ___ (fahren) jed___ Tag mit dem Fahrrad in die Schule.

1e en 4e naamval

Kijk naar de volgende zin:

Der Hase sieht den Igel.

1. Wie ziet hier en wie wordt gezien? 2. Hoe weet je dat?

3. Maak nu zelf zinnen met de volgende woorden. Let daarbij op de goede naamval en het erbij horende lidwoord:

Hase / sehen / Frau.

Hase / sehen / Kind.

Kind / treten / Hase.

Kind / treten / Frau.

Kind / treten / Auto.

Frau / nehmen / Blume.

Frau / nehmen / Eis.

Frau / nehmen / Schlittschuh.

Hase / sehen / Kinder.

Kinder / treten / Bälle.

Frauen / nehmen / Tennisbälle.

Onregelmatige werkwoorden

Vul deze tabel voor de werkwoorden dürfen, wissen, mögen, sollen, können, wollen en müssen. Als je niet meer weet hoe het met de klinkerwissel zit kijk dan in je TB (G 108):

Ich  ______                                       Wir _______

Du   ______                                       Ihr _______

Er / sie / es _______                     S/sie ______

Duzen / Siezen

Info onder G 113. Leer het uit je hoofd!