Het originele practicum verslag

Originele versie van het practicum

Verslag

 1.  Onderzoeksvraag

Er ontstaat een stroom (I) van elektronen wanneer een spanning (U) word aangelegd over een geleider (weerstand). We kunnen nu al vermoeden dat de stroom (I) door de geleider afhankelijk is van de grootte van de spanning (U) over die geleider.

 

Beschrijf het verband tussen de spanning (U) over een weerstand en de stroom (I) door die weerstand.

2.  Benodigdheden

Regelbare gelijkspanningsbron, snoeren, 2 multimeters en 1 weerstand.

3.  Proefopstelling

Elektrisch schema van de opstelling:

 

 

 

 

 

4. Werkwijze

We drijven de spanning in stapjes op en meten telkens de spanning over de weerstand en de stroom door de weerstand. Tijdens deze proef moet de temperatuur van de weerstand constant blijven. De spanning over de weerstand mag dus niet te groot gekozen worden.

Max. spanning: 20V DC

 

5.  Meetresultaten en verwerking

We meten de weerstand aan de hand van 2 multimeters: 1 multimeter meet de spanning, de andere meet de stroom. De verhouding tussen de spanning en de stroom noemen we de weerstand.

Tabel met meetresultaten zonder afronden:

 

 

 

Tabel met meetresultaten met afronden:

 

 

 

Aan de hand van de meetresultaten kunnen we vaststellen dat de weerstand geleidelijk zakt naarmate de stroom toeneemt. De weerstand is ongeveer gelijk als er spanning op de geleider zit. De weerstand is de verhouding tussen de spanning (U) over de weerstand en de stroom (I) door de weerstand:

6.  Grafiek

 

 

 

 

De verhouding tussen de spanning U(V) en de stroom I(A) wordt hieronder grafisch voorgesteld. Er word vastgesteld dat de verhouding gelijkmatig stijgt dus op een rechte ligt die door de oorsprong gaat. Als de spanning toeneemt, neemt de stroom ook toe.

 

7.  Besluit

Als de spanning toeneemt, neemt de stroom ook toe. We stellen vast dat de weerstand R gemiddeld constant blijft. Als de stroom toeneemt en de spanning blijft constant, daalt de weerstand. Als de stroom afneemt stijgt de weerstand. De verhouding tussen de spanning en de stroom blijft constant. Deze verhouding noemen we de weerstand. De helling van de rechte zal toenemen als de weerstand groter wordt, zodat er minder stroom door de geleider kan. De helling van de rechte verkleint als de weerstand kleiner wordt.

 

8.  Reflectie

  1. Een kortsluiting komt overeen met een zeer kleine weerstand die rechtstreeks op de spanningsbron word aangesloten.
  2. Een open schakelaar komt overeen met een zeer kleine weerstand.
  3. Welke uitspraak is juist als je weet dat de weerstandswaarde van een geleider constant is: C. De grootte van de spanning over de geleider is evenredig met de stroom door de geleider.

 

Geplaatst in Practicum | Een reactie plaatsen

Verbeterde practicum verslag + Nederlands deel

Practicum wet van Ohm


 

 

 

 

 

 

Naam: Roxy
Klas: D3V2
Vak: Natuurkunde
Docent: KHE

 

Inhoud:

Inleiding

Onderzoeksvraag/hypothese/werkwijze

Waarnemingen en uitkomst

Conclusie en nawoord

Doelen voor Nederlands                               



Inleiding

In dit practicum wordt de wet van Ohm uitgevoerd. De wet van ohm is een proefje dat een verband legt tussen spanning, weerstand en stroomsterkte.

R is de weerstand in Ohm (W)
I is stroomsterkte in ampère (A)
U is spanning in Volt (V)
Met de wet van Ohm kun je de weerstand uitrekenen. Als je de weerstand en de stroom al weet, kun je ook de spanning uitrekenen. Dan hoef je de formule alleen maar aan te passen. Zie de driehoek.

 

 

 

 

 

 

Onderzoeksvraag

Wat is het verband tussen de spanning over de weerstand en de stroom(sterkte) door die weerstand?

Deelvragen
Wat is spanning, weerstand en stroom?

Antwoord op de deelvraag:
Spanning
= De kracht waarmee een elektron door een ‘draad’ heen geduwd wordt. Spanning wordt uitgedrukt in Volt.
Stroomsterkte = Het aantal elektronen dat steeds passeert.
Weerstand = Stroomsterkte door een elektrisch apparaat hangt af van de spanning. Hoe groter de weerstand, des te kleiner de stroomsterkte wordt.

 

Hypothese

Er ontstaat een stroom (i) van elektronen wanneer een spanning (U) wordt aangelegd over een geleider (weerstand, in dit geval een lampje). Ik denk dat stroomsterkte groter wordt naarmate de spanning toeneemt.

 

Methode

De volgende materialen heb je nodig:

-          Voltmeter
-          Ampèremeter
-          Een lampje
-          Een spanningsbron
-          Vijf snoeren

 

Werkwijze

  1. Voor  dat je de stroomkring gaat aansluiten, moet je kijken of alles uit staat.
  2. Maak een stroomkring met een lamp, voltmeter en ampèremeter (zie afbeelding).
  3. Maak een tabel van twee kolommen.
  4. In de eerste kolom schrijf je het aantal volt. Bijvoorbeeld: 2 tot en met 12.
  5. In de tweede kolom schrijf je hoeveel ampère er word aangegeven. Bijvoorbeeld: Bij 2 volt word er 0,26 ampère aangegeven. Dat vul je dan in.
  6. Als je alle gegevens verzamelt hebt, kun je de weerstand berekenen. Dat doe je met behulp van deze formule: R = U/I

 

Waarnemingen/uitkomst

De verhouding tussen de spanning en de stroom noemen we de weerstand. De weerstand is de verhouding tussen de spanning (U) over de weerstand en de stroom (I) door de weerstand.

Hier onder zijn de resultaten van het proefje uitgewerkt.

 

 

 

Je ziet in dit tabel dat in het begin de weerstand stijgt, maar daarna de weerstand weer wat lager word en weer stijgt.

Grafiek:

 

 

 

 

 

Je volt waarde is steeds hetzelfde. Het gaat steeds met dezelfde stap omhoog. Je ampère waarde zou dan ook steeds met dezelfde waarde een stap moeten maken. Dit kan bijna nooit precies zijn. Daarom word er een lineaire streep door de 1e en laatste punt getrokken –> lineair.

 

Conclusie

Mijn onderzoeksvraag was: wat is het verband tussen de spanning over de weerstand en de stroom door die weerstand?

Mijn hypothese daarop was:
Er ontstaat een stroom (i) van elektronen wanneer een spanning (U) wordt aangelegd over een geleider (weerstand, in dit geval een lampje). Ik denk dat stroomsterkte en weerstand groter worden naarmate de spanning toeneemt.  De weerstand blijft gemiddeld constant.
Vanuit mijn gegevens kan ik zien dat mijn hypothese klopt. Hoe hoger de spanning werd, hoe meer de stroomsterkte en weerstand toenamen. Dit komt doordat er meer elektronen gestuurd worden van de – pool naar de + pool. Een ampèremeter houd bij hoeveel elektronen door de stroomkring gaan. Meer elektronen betekent dus eigenlijk meer stroom wat weer slaat op stroomsterkte.

 

Nawoord

Ik vond  het veranderen en aanpassen van het oude practicum op zich niet zo heel moeilijk. Waar ik heel lang mee bezig was, was de grafiek. Het lukte maar steeds niet, maar uiteindelijk lukte het wel! Het proefje was een beetje raar uitgelegd in het originele document. Daar door hadden wij een beetje ‘vertraging’ met het proefje. Ik denk dat wanneer wij eerder het proefje gedaan hadden, wij niet opeens tegen een probleem aanliepen. Verder was ik het totaal niet gewend om een proefje op internet te zoeken, en het daarna uit te voeren. Je weet natuurlijk nooit of het wel klopt.

 

 

Nederlands deel

ik kan een onderzoeksvraag met deelvragen stellen
Mijn onderzoeksvraag is ‘wat is het verband tussen de spanning over de weerstand en de stroom door die weerstand?’. Dit onderzoeksvraag is een verklarende onderzoeksvraag. Mijn deelvraag (wat is spanning, weerstand en stroom?) zou mij daarbij moeten helpen. Om mijn hypothese en conclusie te vormen moet ik eerst weten wat spanning, weerstand en stroom precies is. Nu ik het antwoord daar op heb, kan ik mijn hypothese daarop bedenken.

ik kan bepalen of een bron bruikbaar is
Het originele practicum was wel, en ook weer niet betrouwbaar. De grafiek klopte ook niet. De onderzoeksvraag en hypothese vond ik wel kloppen, maar dat stond ook niet goed uitgeschreven. Hypothese had geen kopje. Het zat verwerkt in de onderzoeksvraag. Hoe je het proefje moest uitvoeren was ook onduidelijk. Ik had meer aan het kijken naar de opstelling van de stroomkring.

ik kan de regels van werkwoordspelling

Zin 1:  Je ziet in dit tabel, dat in het begin de weerstand stijgt, maar daarna de weerstand weer wat lager word en weer stijgt. 

Tegenwoordige tijd – stam + t

Hele werkwoord van stijgt = stijgen.
Stam van stijgen = stijg
stijg + t = stijgt

Zin 2: De grafiek klopte ook niet.

Verleden tijd – ‘t exkofschip (-te, -ten, -de, -den)

Hele werkwoord van klopte = kloppen
Stam van kloppen = klop
Laatste letter komt voor in t’exkofschip dus er komt –te of –ten bij.
Ik gebruik –te omdat het om één ding gaat dus
klop + te = klopte

Let op de laatste letter van de stam, want die letter bepaalt of in de verleden tijd -de-den-te, of -ten wordt geschreven. Komt de laatste letter van de stam voor in het woord ‘t exkofschip (hierbij tellen alleen de medeklinkers t, x, k, f, s, c, h, p), dan schrijf je het werkwoord met -te, of -ten. De vervoegingen -ten en  -den gebruik je als je te maken hebt met meervoudige personen als we, wij, jullie, ze (meervoud), zij (meervoud).

 Zin 3: Hier onder zijn de resultaten van het proefje uitgewerkt.

Voltooide tijd – stam + t en ‘t exkofschip (voor -t of -d)
Zijn= een sterk werkwoord (geen regel).

Uitgewerkt = voltooid deelwoord

Heb je in een zin te maken met twee bij elkaar passende werkwoorden, dan is er sprake van een voltooide tijd: één werkwoord staat dan in de tegenwoordige of verleden tijd, het andere werkwoord staat in de voltooide tijd (het voltooid deelwoord).

Op het ene werkwoord pas je dus de regel stam + t toe (bij tegenwoordige tijd) of ‘t exkofschip (bij verleden tijd). Dit laatste geldt alleen voor zwakke werkwoorden, want je gebruikt de ’t exkofschipregel alleen bij zwakke werkwoorden.

Op het andere werkwoord (het voltooid deelwoord) pas je de regel ‘t exkofschip toe om er achter te komen of die op een -t of een -d eindigt.

ik kan hoofdletters en interpunctie gebruiken
Hoofdletters gebruik je aan het begin een van een zin, namen om eerbied uit te drukken en in sommige afkortingen. Een komma gebruik je tussen twee onderdelen van een opsomming, tussen twee gezegdes en na of voor een persoon die aangesproken wordt.
Zin 1: Als je de weerstand en de stroom al weet, kun je ook de spanning uitrekenen.
Ik gebruik hier een hoofdletter bij het begin van de zin.  Ik gebruik een komma na ‘weet’, omdat het een samengestelde zin is. Ik zie dat het een samengestelde zin is aan ‘als’.

ik kan bijvoeglijke naamwoorden spellen

Zin 1: Daarom wordt er een lineaire streep door de 1e en laatste punt getrokken.

Lineaire = een bijvoeglijk naamwoord
Hoort bij een de-woord. Er komt dus een –e achter het bijvoeglijk naamwoord.
Lineaire.

Zin 2: Het lieve kind loopt op de stoep.

Lieve = een bijvoeglijk naamwoord
Hoort bij een het-woord. Er komt hier ook –e achter het bijvoeglijk naamwoord.
Lieve.

 

Geplaatst in Practicum | Een reactie plaatsen

Diagnostische toetsvraag

A teken een parallel en een serieschakeling.
B wat is spanning? Noem ook het symbool en de eenheid. Doe hetzelfde voor stroomsterkte.

Geplaatst in Natuurkunde | Een reactie plaatsen

Uitgeschreven oprachten natuurkunde

Vraag 1:  je hebt twee lampjes hoe wil je die zo fel mogelijk laten branden?

Bij een parallelschakeling branden de twee lampjes het felst. Dat komt omdat bij een parallelschakeling elk lampje een eigen stroomkring heeft. Als de twee lampjes samen een serieschakeling hebben moet de stroom verdeeld worden onder beide lampjes. Dat komt omdat er maar een stroomkring is. Die stroomkring moet dan voor twee lampjes “zorgen”.

Stroom kan nog beter geleid worden door behulp van metalen. Als je bijvoorbeeld een stukje folie/koper verwerkt in je stroomkring geeft het meer volt, waardoor je lampje nog feller licht geeft. Dat komt omdat metalen elektronen goed door kunnen geven.

Vraag 2: wat is elektriciteit?
Elektriciteit is het doorgeven van elektronen. Tijdens het doorgeven van elektronen ontstaat er een kettingreactie.
De elektronen gaan de rechter kant op en de stroom beweegt de linker kant op,  ze gaan dus allebei een andere kant op.
Hierbij ontstaat er een beweging en  tegelijkertijd ook een soort van een spanning. Die spanning wordt stroom genoemd.

Geplaatst in Natuurkunde | 2 Reacties